Vakbeweging en gevestigde politiek lijken steeds verder van elkaar af te drijven. Tenminste als je kijkt naar de grootste spelers, CNV en FNV in relatie tot CDA en PvdA. Vakbond en politiek is altijd een bijzondere combinatie geweest. Zeker binnen de socialistische en christelijke zuilen. Ook binnen het zo geprezen Hollandse ‘poldermodel’ zijn vakbond en politiek nauw met elkaar verbonden. Vooral ten tijde van economische crisis zie je dat eenzelfde ideologie niet meer altijd tot gelijkgestemde gedragen oplossingen leidt. Dat is vreemd als je bedenkt hoe groot de aanhang van de vakbeweging is in relatie tot de aanhang van politieke partijen. Gevolg is dat andere politieke partijen ‘slim’ in het ontstane gat springen. Mede veroorzaakt door het feit dat vakbonden zich de laatste jaren niet meer profileren met één politieke partij. Een gemiste kans voor beiden?

Voor een werknemer is een wirwar aan mogelijkheden ontstaan om zijn belangen te laten behartigen. Hij zwerft, net als een consument, in vele netwerken. Vaak met tegenstrijdige belangen. Vluchtig, soms gebonden, maar steeds op zoek naar het halen van het eigen of gedeelde groepsbelang van dat moment. Sinds de politiek de laatste decennia veel werkgerelateerde wetgeving heeft weten te verankeren is er veel veranderd in nut en noodzaak van deelname aan het vakbondsnetwerk. Kijk bijvoorbeeld naar de arbeidstijden, arbo, levensloop, pensioenwetgeving. Honderd jaar vakbeweging heeft hierin veel bereikt. Natuurlijk er is nog genoeg te bereiken op dit vlak, maar de vraag is of de werknemer dit zelf ook ziet. Zo lijkt de werknemer als consument meer interesse en herkenbaarheid in de vakbeweging als nuttig netwerk te verliezen. Tenzij deze andere interessante producten aanbiedt.  Zoals rechtsbescherming in lokale individuele-, sociale conflicten en reorganisaties. Of beroepsinhoudelijke vakondersteuning en sociale innovatie. In deze laatste onderwerpen is de concurrentie voor vakbonden eveneens groot. De jongere generaties, de werknemers 2.0, verwachten intussen meer van hun netwerk. Ze willen flexibel zijn, niet gebonden en veel autonomie. Regels en strijdpunten van vakbonden worden niet altijd meer gedeeld. Dat geldt evenzo voor de traditionele politieke partijen. Daar is de aanhang en herkenbaarheid vele malen kleiner dan bij de vakbonden en beperkt zich meer tot de eigen partij elite, verbonden in  talloze politieke bestuursorganen. Vakbonden kennen door de geschetste ontwikkeling een pluriforme aanhang wat politieke kleur betreft en politieke partijen zijn een duiventil waar het afhankelijk van het onderwerp een komen en gaan is.

Waarom bundelen de grote partijen in de vakbeweging en politiek niet  zichtbaar hun krachten en wederzijdse belangen? Daarmee wordt het oppertunisme en populisme van andere groeperingen naar de randen geschoven, kunnen beide krachten elkaar versterken in gezamenlijk belang en ontstaat  rust aan het politieke en vakbondsfront. Voor de werknemer als consument vormt deze combinatie een aantrekkelijk product waar hij zich naar kan richten voor maximale belangenbehartiging. Aan de andere kant dwingt dit vakbond en politieke partij tot duidelijke profilering van gezamenlijke keuzes en luisteren naar het geluid binnen het gezamenlijke netwerk om herkenbaarheid maximaal te houden. De vakbond is daarmee duidelijker politiek geëngageerd, de verbonden politieke partij dicht bij de werknemer en burger. En ten tijde van crisis worden gezamenlijk vooraf  gedragen oplossingen gevonden voorzien van een krachtige stem. Actie voeren door vakbonden bij partijbijeenkomsten is dan niet meer noodzakelijk. Vraag is of in dit tijdsgewricht de koppeling tussen vakbond en politieke partij nog zo sterk te maken is. Zeker wanneer we kijken naar politieke samenstelling en diversiteit van de achterbannen.